André Köbben ~ Over de rol van ijdelheid in de wetenschap

Verschijnt 10 oktober 2017:
ISBN 978 90 361 493 7
96 pagina’s
Euro 12,50
Omslag & DTP BuroBouws

‘IJdelheid’, wat is mijn definitie van dat begrip? In de Van Dale wordt ijdelheid omschreven als ‘een te hoge dunk van de eigen voortreffelijkheid’ en als ‘de zucht om door anderen bewonderd en geprezen te worden’. Beide omschrijvingen zijn voor mijn doel bruikbaar. Een zekere mate van ijdelheid in deze betekenis is veel beoefenaars van de wetenschap eigen, met name als ze de positie van hoogleraar bereikt hebben. Mij gaat het hier echter om gevallen waarbij ijdelheid zich in excessieve vorm voordoet. In die zin dat deze ook nog gepaard gaat met de ‘ik heb altijd gelijk’ gedachte, en vaak ook met ‘ik weet toch wel hoe het zit, ook zonder het onderzocht te hebben’.

Ik heb in ruime mate gegevens verzameld over tien zulke personen. In zeven van mijn casussen ben ik goeddeels tot mijn oordeel over hen gekomen op grond van eigen onderzoek en eigen ervaringen. In twee gevallen heb ik mede gebruik gemaakt van het zorgvuldige werk van een onderzoekscommissie. In drie gevallen heb ik mijn oordeel voornamelijk gebaseerd op doorwrochte studies van anderen. Ik heb niet de pretentie dat het hier gaat om zoiets als een representatieve steekproef. Wel meen ik een scala van gevallen te presenteren die de meeste variaties op dit gebied omvat. Zo heb ik gezocht naar voorbeelden uit onderscheiden gebieden van wetenschap. In zes gevallen zijn het beoefenaars van de sociale wetenschappen (in de ruime zin van het woord), in vier gevallen natuurwetenschappers (in de ruime zin van het woord). In vijf casussen betreft het actuele affaires, in de vijf overige om zaken die zich in het (nabije) verleden hebben voorgedaan. Die te bespreken is van belang, al is het maar om aan te tonen dat misstanden in de wetenschap niet enkel van vandaag of gisteren zijn. In alle tien gevallen betreft het mannen. Geen wonder. Immers in het nabije verleden waren bijna alle beoefenaars van de wetenschap van het mannelijk geslacht, en ook nu nog geldt dat voor een ruime meerderheid. Maar de emancipatie schrijdt met rasse schreden voort! Alweer enkele jaren geleden kreeg voor het eerst een vrouwelijke beoefenaar van de wetenschap een officiële berisping wegens wangedrag in de wetenschap. Ik noem hier geen namen.

Excessieve ijdelheid in de wetenschap, in de hier geformuleerde betekenis van dat woord, heeft vaak schadelijke gevolgen en wordt daarom in dit geschrift bestreden. Achtereenvolgens bespreek ik leven en werk van de volgende personen: de fysisch geograaf Jan P. Bakker; de antropoloog Claude Lévi-Strauss; de socioloog Norbert Elias; de hersenonderzoeker Dick Swaab; de chemicus Henk Buck; de nanotechnoloog Jan Hendrik Schön: de sociaal psycholoog Diederik Stapel; de antropoloog Mart Bax; de psycholoog Cyril Burt; de historicus Bernard Berenson. De vraag die als eerste te beantwoorden staat is of ijdelheid in excessieve-mate bij onderzoekers in alle gevallen nadelig is voor de wetenschap.

Inhoudsopgave
1. Over de rol van ijdelheid in de wetenschap
2. Jan P. Bakker
3. Uren met Lévi-Strauss
4. Over Norbert Elias
5. Een al te absolute overtuiging
6. De kwestie Buck
7. Het geval van Jan Hendrik Schön
8. De affaire Stapel
9. Inzake Mart Bax
10. Sir Cyril Burt
11. Bernard Berenson tussen kunstwetenschap en handel
12. Rangschikkingen
Namenregister
Geraadpleegde literatuur

Over de auteur – bron: Nederlandse Sociologische Vereniging [http://www.nsv-sociologie.nl/]

André Köbben (1925 -), emeritus hoogleraar antropologie, verlegde zijn aandacht van verre volksstammen naar de wereld van het Nederlandse beleidsonderzoek. Zijn advies voor integere beleidsonderzoekers: neem een rechtsbijstandverzekering.

André Köbben begon aan zijn studie zoals je van een antropoloog mag verwachten: hij bestudeerde niet-westerse samenlevingen. Zijn proefschrift uit 1955 was een studie naar de ‘zwarte planters’ in Ivoorkust en niet lang erna schreef hij over Djuka, Surinaamse marrons (afstammelingen van gevluchte slaven). In de loop der tijd richtte Köbben zijn aandacht steeds meer op zijn eigen omgeving. In de jaren zeventig gaf hij leiding aan het door hem opgerichte Centrum voor Onderzoek van Maatschappelijke Tegenstellingen (COMT) aan de Universiteit Leiden. In die turbulente jaren was er genoeg studiemateriaal voor handen. Köbben verwierf vooral publieke bekendheid door zijn betrokkenheid bij het Molukse vraagstuk dat in deze tijd explosieve vormen aannam.

Toen de frustratie van de Molukkers omsloeg in geweld – in de vorm van treinkapingen en bezettingen, soms met bloedige afloop – werden diverse commissies in het leven geroepen waar Köbben deel van uitmaakte. De Molukse onlusten gaven ook mede aanleiding tot het minderhedenbeleid dat niet alleen voorzag in subsidies en zeggenschap voor voorlieden van minderheden maar ook in veel onderzoek naar minderheidsgroepen. Köbben maakte onderdeel uit van dat zich ontvouwende beleidsveld en was onder meer lid van de Adviescommissie Onderzoek Minderheden die verantwoordelijk was voor het programmeren van minderhedenonderzoek.

Al tijdens zijn werkzaamheden voor ACOM is Köbben sceptisch over beleid. Hij constateerde dat veel initiatieven vanuit minderheden in werkelijkheid werden aangestuurd door goedbedoelende maar ook bemoeizuchtige zaakwaarnemers. De kritische houding naar het complex van onderzoek en beleid komt nog sterker terug in zijn meer recentestudies met Henk Tromp. In dat werk gaat het niet om minderheidsgroepen, maar om de wereldwijde volksstam waartoe Köbben zelf behoort: die van beoefenaars van de wetenschap.

In ‘De onwelkome boodschap’ analyseren Köbben en Tromp wat er gebeurt als onderzoekers tot bevindingen komen die hun opdrachtgevers of andere machtige partijen niet aanstaan. Köbben en Tromp rapporteren hoe onderzoeksresultaten hoe onderzoeksresultaten niet zelden onschadelijk worden gemaakt door ze dood te zwijgen. De analyse is beheerst maar het is duidelijk dat er heel wat op het spel kan staan. Onderzoekers die hun integriteit willen bewaren, kunnen te maken krijgen met diverse vormen van intimidatie.

Twee decennia na zijn emiritaat (in 1991) is Köbben nog altijd actief als publiek antropoloog. Onlangs liet hij zich als volgt over Diederik Stapel uit: “Hij is, zoals ook andere sommige andere fraudeurs. behept met het ‘ik heb altijd gelijk-syndroom.’ Hij meent echt: ‘ik weet toch wel hoe het zit, ook al heb ik het niet onderzocht.’”

Köbben zelf heeft juist een carrière opgebouwd rond het voortdurend bevragen van belangen en inzichten, van volkeren ver weg tot wereldjes dichtbij. Hoe dichterbij en groter de belangen, hoe groter de kans dat een onderzoeker tegen de haren instrijkt en represailles ondervindt. Mede om die reden geeft Köbben beleidsonderzoekers die hun integriteit willen beschermen een belangrijk advies mee: neem een rechtsbijstandsverzekering.

Price: €12,50

Loading Updating cart...